Voertuig & noodsituaties
Controleer je auto en weet wat je moet doen als de omstandigheden veranderen.
Controleer bandenspanning volgens de fabrikant, profiel, verlichting en vloeistoffen. Te zachte banden verhogen verbruik en beïnvloeden het rijgedrag. Zorg dat lading vastligt en je zicht niet belemmert. Een rode oliedrukwaarschuwing kan betekenen dat je veilig moet stoppen en de motor moet uitzetten.
Gebruik dimlicht in het donker en bij slecht zicht overdag. Dagrijverlichting vervangt dimlicht dan niet altijd, omdat achterlichten mogelijk uit zijn. Groot licht mag niemand verblinden. Mistachterlicht mag alleen bij mist of sneeuw met zicht minder dan 50 meter; niet bij zware regen.
Bij een voorrangsvoertuig met blauw zwaailicht en sirene maak je veilig ruimte. Bij pech op de snelweg zoek je zo mogelijk een veilige plek, zet je alarmlichten aan en ga je met passagiers veilig achter de vangrail staan. Bel 112 bij direct gevaar of een ernstige noodsituatie. Bij een ongeval: beveilig jezelf en de omgeving en help waar veilig mogelijk.